Bloedstolsels kunnen één of meerdere bloedvaten in het oog afsluiten. Dit heet een oogtrombose. Als een stolsel een ader in het oog afsluit, dan kan het bloed niet worden afgevoerd uit het oog. De ader kan opzwellen en gaan lekken. Meestal veroorzaakt dit een vochtophoping in het netvlies, waardoor een patiënt slecht begint te zien. Oogartsen noemen oogtrombose ook wel een oogocclusie. Dit komt het meest voor bij ouderen (50-80 jaar), die vaak diabetes, een hoge bloeddruk en/of een hoog cholesterol hebben. Ook de oogziekte glaucoom kan een oogtrombose veroorzaken.
Als een stolsel de oogslagader afsluit, krijgt het oog geen zuurstof en voedingsstoffen meer. Dit heet een ooginfarct. De belangrijkste oorzaak is een losgeraakt stolsel ergens anders in het lichaam. Bijvoorbeeld vanuit een beschadigde vaatwand van de slagaders van de hals of vanuit het hart. Soms is er echter ook sprake van een ontsteking van de oogslagader (zogenaamde giant cell arteritis). Het zicht herstelt bij deze vorm van trombose meestal niet of nauwelijks meer.
Heeft u één of meer van deze klachten? Neem dan direct contact op met uw huisarts. Deze zal u zo nodig doorverwijzen naar een oogarts, die kan vaststellen of het gaat om een ooginfarct of oogtrombose . Bij een oogtrombose zoekt de arts ook naar de oorzaak, zoals hoge bloeddruk, diabetes en andere factoren. Dat is nodig om de kans op herhaling te verkleinen.
Een oogarts kan het onderscheid tussen een ooginfarct en veneuze oogtrombose vaststellen en daar de eventuele behandeling op aanpassen. Onderzoek naar hoge bloeddruk, diabetes en andere factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de trombose is nodig om de kans op herhaling te verminderen.
Een oogtrombose wordt behandeld met injecties, om het lekken [Bv1] van de ader tegen te gaan. Dit is vaak chronisch. Als u een oogtrombose hebt, krijgt u waarschijnlijk geen antistollingsmiddelen. U krijgt wel antistollingsmiddelen als u een erfelijke stollingsafwijking hebt. Aderverkalking, hoge bloeddruk en een hoog cholesterol zijn belangrijke risicofactoren voor oogtrombose. Daarom zal de behandeling zich richten op het verlagen van de bloeddruk en het cholesterol. Dit kan met medicatie (bloeddrukverlagers, statines) en met leefstijladviezen.
Bij een ooginfarct is de schade aan het oog blijvend en ernstig. Het oog kan niet meer behandeld worden. Artsen proberen vooral een infarct in het andere oog te voorkomen. Patiënten krijgen na een ooginfarct wel antistollingsmiddelen.
Bij een oogtrombose bij jonge mensen kan het bloedvat herstellen. Het zicht kan dus weer verbeteren. Oudere mensen houden vaak meer restschade, hun bloedvaten herstellen zich niet meer of minder goed. Bloedvaten kunnen gaan lekken en een hoge oogdruk geven, wat pijn en blindheid kan veroorzaken. Bij een ooginfarct is de schade aan het oog blijvend en ernstig.
Het belangrijkste is om aderverkalking tegen te gaan; door bijvoorbeeld het verlagen van de bloeddruk en te stoppen met roken.
“Het netvlies vormt de binnenbekleding van je oog en zorgt ervoor dat je kunt zien. In het netvlies reageren staafjes en kegeltjes op het licht dat je oog invalt. Die staafjes en kegeltjes zorgen samen voor de informatie die je brein nodig heeft om een beeld te vormen. Bij een trombose krijg je bloedingen en vochtophoping, ofwel oedeem. Je netvlies kan daar niet tegen en je ziet dan niet goed meer. Als de aan- of afvoer van bloed niet goed gaat, is het risico op slechter zien dus groot.”