Bij een longembolie zit een bloedvat in of naar uw longen verstopt. Daardoor krijgt u minder zuurstof in uw bloed.
Een longembolie kan worden veroorzaakt door een bloedstolsel uit uw been of onderbuik. Het stolsel kan daar losraken en via uw bloed naar de longen stromen. Als het bloedstolsel in de longslagader vastloopt, kan er naar het achterliggende longweefsel weinig of geen bloed stromen. Dan komt er minder zuurstof in het bloed. Een stolsel kan ook ontstaan in de longen zelf, bijvoorbeeld bij een ernstige longinfectie.
Bij een groot bloedstolsel of meerdere bloedstolsels wordt een gedeelte van de bloedsomloop geblokkeerd. Dan komt er weinig zuurstof in het bloed en kan een longinfarct ontstaan. Een zeldzame en levensbedreigende vorm van een longembolie is een ruiterembolie.
De klachten bij een longembolie kunnen erg lijken op de klachten die passen bij bijvoorbeeld een hartinfarct, een ontsteking van de longvliezen, een klaplong of een longontsteking.
Veel voorkomende klachten:
Andere klachten van een longembolie zijn:
Ongeveer 70% van de mensen met een longembolie heeft ook een trombosebeen. Misschien heeft u last van pijn of kramp in één van uw benen en merkt u daarnaast dat u kortademig bent. Dit zou kunnen wijzen op een longembolie (en een trombosebeen).
Als u misschien een longembolie heeft, dan zal de arts een aantal testen doen:
Op basis van deze testen kan er vervolgonderzoek nodig zijn. In het ziekenhuis kan met een CT-scan gekeken worden of er bloedstolsels in de longen zitten. Bij een CT-scan komt schadelijke röntgenstraling vrij, vandaar dat altijd eerst wordt geprobeerd op een ander manier longembolie uit te sluiten.
Bent u zwanger of gebruikt u al antistollingsmiddelen? De uitslag van de d-dimeertest is dan niet betrouwbaar. De arts zal andere testen doen om te bepalen of u een longembolie heeft.
Heeft u een longembolie? Dan krijgt u antistollingsmiddelen. Deze medicijnen voorkomen dat het stolsel verder groeit en dat er nieuwe stolsels ontstaan. Het lichaam ruimt dan zelf het stolsel op.
Uw arts bepaalt hoelang u antistollingsmiddelen moet gebruiken. Bij een eerste trombose is dat meestal 3 tot 6 maanden. De arts kijkt daarbij naar de oorzaak van uw trombose, en uw bloedingsrisico. Als u al eerder een trombose heeft gehad, dan zal u zeer waarschijnlijk levenslang antistollingsmiddelen krijgen.
Voor uw herstel is het belangrijk om voldoende te bewegen, bijvoorbeeld wandelen of fietsen. U kunt hierbij hulp zoeken bij een fysiotherapeut. Ook is het belangrijk om te stoppen met roken. Roken stoort het herstel van weefsel en de aanmaak van nieuwe bloedvaten. Bovendien beschadigt roken de binnenkant van de bloedvaten.
Het is belangrijk dat een longembolie snel wordt herkend en behandeld. Een longembolie kan vervelende en zelfs gevaarlijke gevolgen hebben. Per dag overlijden er in Nederland drie mensen aan een longembolie.
Longinfarct
In tegenstelling tot bij een longembolie sterft bij een longinfarct een gedeelte van het longweefsel af door een tekort aan zuurstof. Dit gebeurt bij ongeveer 1 op de 10 mensen met een longembolie.
Als een groot stolsel in de eerste, grote vertakkingen van de longslagader vastloopt, dan krijgt de long zelf geen bloed en dus geen zuurstof. Dit is een ernstige vorm van longembolie. Als een deel van het longweefsel te lang geen zuurstof krijgt, dan kan het weefsel afsterven. We spreken dan van een longinfarct.
Post-longembolie syndroom
Jaarlijks krijgen zo’n 12.000 mensen in Nederland een longembolie. Ondanks een goede antistollingsbehandeling blijft de helft van deze mensen langdurig benauwd en fysiek beperkt. De trombose doet een aanslag op de functie van het hart en de longen. Doordat de longen minder zuurstof opnemen, moet het hart meer moeite doen om zuurstofrijk bloed rond te pompen. Dit kan ook weer leiden tot kortademigheid en uiteindelijk tot angst om weer te gaan bewegen. Patiënten gaan daardoor vaak minder bewegen, waardoor hun conditie slechter wordt. Patiënten raken zo in een vicieuze cirkel van weinig tot geen beweging en een verslechterende conditie. Dit heet het post-longembolie syndroom.
Het post-longembolie syndroom leidt tot een lagere kwaliteit van leven. Dit verergert doordat een deel van de patiënten maatschappelijk geïsoleerd, depressief en soms zelfs arbeidsongeschikt raakt. Hierdoor kan de aandoening zich in stand houden. Dit proces heet deconditionering.
Wanneer u eenmaal het post-longembolie syndroom hebt ontwikkeld, dan bestaat de behandeling op dit moment uit een intensieve behandeling in een revalidatiecentrum om de conditie te verbeteren en het dagelijks leven weer op te pakken.
Chronische trombo-embolische pulmonale hypertensie (CTEPH)
Pulmonale hypertensie is een verhoogde bloeddruk in de longen. Er zijn tientallen oorzaken van pulmonale hypertensie bekend. Zo kan pulmonale hypertensie ontstaan door bijvoorbeeld een chronisch zuurstoftekort bij patiënten met COPD of door een aangeboren afwijking van de linkerhartkamer. Chronische trombo-embolische pulmonale hypertensie (CTEPH) is pulmonale hypertensie die is ontstaan als gevolg van chronische longembolieën.
Een klein deel van de patiënten met het post-longembolie syndroom, 0,5% tot 4%, ontwikkelt CTEPH. Dit is de ernstigste complicatie van het post-longembolie syndroom. Door de longembolie verstopt een stolsel een of meerdere bloedvaten van de longen. Na de behandeling met antistollingsmiddelen komt voor dat één of meerdere bloedstolsels niet goed oplossen. Hierdoor blijven verstoppingen aanwezig waardoor de bloeddruk in de longslagaders flink kan toenemen. Door deze verhoogde druk moet de rechterhartkamer meer moeite doen om bloed rond te pompen in de longen. Hierdoor kunnen klachten zoals benauwdheid en heftige vermoeidheid optreden. Onbehandeld zal uw conditie bij CTEPH steeds verslechteren. Als de druk in de longvaten blijft toenemen, kan dit leiden tot een verminderde hartpompfunctie en uiteindelijk zelfs tot hartfalen.
Anders dan andere vormen van pulmonale hypertensie, is CTEPH wel te genezen. Voor een deel van de patiënten met CTEPH is pulmonale endarterectomie een mogelijke operatie. Hierbij verwijdert een chirurg de binnenbekleding van de longslagader waaraan ook stolsels vastzitten. Dit is een ingrijpende operatie waarbij de uitvoering afhangt van de plaats van de stolsel en het aantal stolsels. Patiënten met andere aandoeningen en een slechte conditie komen minder snel in aanmerking voor deze operatie.
Chronische longembolieën zonder pulmonale hypertensie
Mensen kunnen na een longembolie ook chronische longembolieën overhouden zónder pulmonale hypertensie. In tegenstelling tot CTEHP, is dit niet levensbedreigend.
Een (volgende) longembolie is niet altijd te voorkomen. Er zijn wel dingen die u kunt doen om de kans op een volgende longembolie te verkleinen.
“Als het gaat om de revalidatie, zou ik adviseren om snel al te beginnen met bewegen. Ging je voor de longembolie twee keer per week sporten, ga dat dan weer doen. Was je een rustige wandelaar, ga dat dan in elk geval weer oppakken. Wacht niet zes maanden, want dan heb je heel veel tijd verloren.”