Wanneer een bloedstolsel een ader in uw been afsluit, heeft u een trombosebeen. Omdat het bloed dan niet meer weg kan stromen, zwelt het been op. Een trombosebeen wordt ook wel diep veneuze trombose genoemd.
Aderen vervoeren zuurstofarm bloed vanuit spieren en organen terug naar het hart en de longen. Bloed in de aderen stroomt langzaam. In beenaderen zitten kleppen, die het bloed dat door de kuitspier richting het hart en de longen wordt gepompt, tegenhouden. Zo zorgen de kleppen ervoor dat het bloed niet terug kan stromen richting de voeten. Het bloed kan zo goed terugstromen richting het hart en de longen.
Als het bloedstolsel alleen in een ader in de kuit zit, dan wordt dat een geïsoleerde kuitvenetrombose genoemd. Een kuitvenetrombose hoeft niet altijd behandeld te worden. Als er een risico bestaat dat de kuitvenetrombose uitbreidt naar boven de knie, zal de trombose wel behandeld worden. Bij een diep veneuze trombose boven de knie is het risico op een longembolie en het posttrombotisch syndroom namelijk groter.
Al bij één of enkele van de onderstaande klachten kan er sprake zijn van een trombosebeen. Soms heeft u helemaal geen klachten. Herkent u een of meerdere klachten, neem dan direct contact op met uw huisarts.
Vaak voorkomende klachten:
Minder vaak voorkomende klachten:
Als u misschien een trombosebeen heeft, kan uw arts een aantal dingen doen:
Is er verder onderzoek nodig? In het ziekenhuis kan een echo van uw been worden gemaakt. Daarmee kan de trombose in beeld worden gebracht.
Heeft u een trombosebeen? Dan krijgt u antistollingsmiddelen. Deze medicijnen voorkomen dat het stolsel verder groeit en dat er nieuwe stolsels ontstaan. Het lichaam ruimt dan zelf het stolsel op.
Uw arts bepaalt hoelang u antistollingsmiddelen moet gebruiken. Bij een eerste trombose is dat meestal 3 tot 6 maanden. De arts kijkt daarbij naar de oorzaak van uw trombose, en uw risico op bloedingen. Als u al eerder een trombose heeft gehad, dan zal u zeer waarschijnlijk levenslang antistollingsmiddelen krijgen.
Daarnaast kan de arts ook adviseren om, voor een bepaalde periode, een steunkous (medische compressiekous) te dragen. Het dragen van een steunkous stimuleert de bloedafvoer uit het been en kan een vermoeid, pijnlijk en gezwollen been voorkomen.
Voor uw herstel is het belangrijk om voldoende te bewegen, bijvoorbeeld wandelen of fietsen. U kunt hierbij hulp zoeken bij een fysiotherapeut. Ook is het belangrijk om te stoppen met roken. Roken stoort het herstel van weefsel en de aanmaak van nieuwe bloedvaten. Bovendien beschadigt roken de binnenkant van de bloedvaten.
Het is belangrijk dat een trombosebeen snel wordt herkend en behandeld. Een trombosebeen kan vervelende en zelfs gevaarlijke gevolgen hebben.
Als het stolsel vanuit het been doorschiet naar de longen, kan het daar een longembolie veroorzaken. Bij een longembolie raakt een bloedvat in de longen verstopt door een bloedstolsel. Er kan zo geen of weinig bloed naar het achterliggende longweefsel stromen. Omdat de longen daardoor minder goed werken, komt er minder zuurstof in het bloed. Een longembolie kan levensbedreigend zijn, en moet direct worden behandeld.
Bij een trombosebeen kan het stolsel de klepjes in de ader beschadigen. De klepjes zorgen er normaalgesproken voor dat het bloed dat terug naar het hart wordt gepompt, niet terugstroomt als men rechtop staat. Als de klepjes niet meer goed werken, kan het bloed gemakkelijk terugstromen. Hierdoor neemt de druk op de aders en kleine haarvaatjes in het been toe. Het bloed staat zo als het ware stil in gedeelten van de ader, wat ontstekingsreacties geeft. Als dit gebeurt, is er sprake van het posttrombotisch syndroom (PTS). Dit is een chronische aandoening. Het is nooit helemaal te genezen.
Bijna de helft van de mensen met een trombosebeen krijgt PTS. De gevolgen van PTS zijn per patiënt verschillend. Vaak heeft PTS grote impact op de kwaliteit van leven. Het dragen van een steunkous draagt bij aan het herstel van de bloeddoorstroom en kan de klachten verminderen. Door regelmatig te bewegen, wordt het risico op PTS kleiner. Roken vergroot de kans op het ontstaan van PTS. Het is daarom aan te raden om bij een trombosebeen te stoppen met roken.
Klachten die u bij een posttrombotisch syndroom kunt ervaren zijn:
Bij de aandoening ‘chronische veneuze insufficiëntie’ (letterlijk het doorlopend tekortschieten van de aders) werken de kleppen in de aderen niet goed. Bloed met afvalstoffen stroomt zo terug in het been. Hierdoor verhoogt de druk in het bloedvat, waardoor vocht en eiwitten door de wand van het bloedvat in het beenweefsel worden geperst. Hierdoor ontstaat oedeem en een vermoeid gevoel in het been. Bij een langdurig bestaande veneuze insufficiëntie kunnen problemen ontstaan bij de doorbloeding van de huid. De huid wordt dan kwetsbaar en gevoeliger voor beschadiging of het ontstaan van een open wond.
Chronische veneuze insufficiëntie komt vrij veel voor. De oorzaak kan erfelijk zijn, waarbij er een zwakke vaatwand is. Het kan echter ook optreden als gevolg van een beschadiging van het bloedvat, bijvoorbeeld als er een trombose in het bloedvat heeft gezeten. Spataderen zijn een uiting van chronische veneuze insufficiëntie. Bij spataderen loopt de druk in een aderen zo hoog op dat de ader uitrekt.
Met compressietherapie (zwachtels of een steunkous) kan de bloedstroom worden verbeterd. Door tegendruk te geven (met compressietherapie), kunnen de kleppen in de vaatwand beter sluiten en vermindert het oedeem. Ook verbetert de doorbloeding van de huid waardoor de toevoer van zuurstof wordt verbeterd. Veel bewegen (wandelen, fietsen), een gezonde leefstijl en een goed gewicht kunnen helpen bij het verminderen van de klachten. Stoppen met roken is ook aan te raden, omdat roken een negatieve invloed op de doorbloeding heeft.
Een (volgend) trombosebeen is niet altijd te voorkomen. Er zijn wel een aantal dingen die u kunt doen om de kans erop te verkleinen.
“Wat geldt voor alle hart- en vaatziekten en wat voor iedereen eigenlijk verstandig is om te doen: eet gezond en beweeg genoeg. Een trombosebeen voorkomen is in veel gevallen lastig, omdat veel mensen niet weten dat ze een verhoogd risico hebben totdat ze ermee geconfronteerd worden. Er zijn ook bepaalde erfelijke vormen van trombose. Heb je mensen in de familie met trombose bijvoorbeeld, dan is het belangrijk om factoren te vermijden die de kans op trombose verder verhogen. Een bekend voorbeeld is de anticonceptiepil bij jonge vrouwen, van wie de moeder trombose heeft gehad. Je moet als arts heel goed kijken of het in dat geval wel verstandig is om dan de pil voor te schrijven, omdat deze de kans op trombose kan verhogen. Dan kan het beter zijn om te kiezen voor een spiraal. Er zijn ook mensen die trombose hebben gehad en die na een half jaar mogen stoppen met de antistolling. Als zij een lange bus- of vliegreis maken, of een operatie moeten ondergaan, dan is het goed om te overwegen om die periode toch weer antistolling te gebruiken.”