Als u trombose heeft, dan krijgt u medicijnen die de stolling van uw bloed remmen. Dit zijn antistollingsmiddelen, ook wel bloedverdunners genoemd. Deze middelen voorkomen dat er een trombose ontstaat of dat trombose groter wordt. Deze medicijnen ruimen de bloedstolsels niet op. Dat moet het lichaam zelf doen. Dat kan bij een groot stolsel soms wel enkele maanden duren.
Er bestaan verschillende soorten antistollingsmiddelen:
Heparine of laagmoleculair gewichtsheparine (LMWH)
Heparines of laagmoleculairgewicht heparines zijn milde antistollingsmiddelen. Deze middelen worden onder de huid ingespoten of via een infuus gegeven en werken direct antistollend. Ze werken kortdurend, dat wil zeggen dat de heparine na een aantal uren uit uw lichaam verdwenen is (na ongeveer 4 tot 12 uur, afhankelijk van de manier van toedienen en de hoeveelheid). Controle door een trombosedienst is niet nodig.
U kunt heparines krijgen om trombose te voorkomen na een operatie, als u kanker heeft of als u zwanger bent.
Veelgebruikte heparines zijn dalteparine (Fragmin) en nadroparine (Fraxiparine).
Bloedplaatjesremmers
Bloedplaatjesremmers zijn milde antistollingsmiddelen. Bloedplaatjes (trombocyten) zijn kleine cellen in het bloed die bij een wondje aan elkaar plakken en zo een bloeding stoppen. Als u stopt met het slikken van bloedplaatjesremmers, duurt het 10 dagen voordat de werkzame stoffen uit uw bloed zijn. Omdat bloedplaatjesremmers milde antistollingsmiddelen zijn, staat u niet onder controle van een trombosedienst.
U kunt bloedplaatjesremmers krijgen om een hartinfarct te behandelen of te voorkomen, een herseninfarct te behandelen of te voorkomen, bij stabiele angina pectorisBij stabiele angina pectoris krijgt een hartspier te weinig zuurstof. U krijgt pijn op de borst of hartkramp. of bij perifeer arterieel vaatlijdenBij perifeer arterieel vaatlijden (PAV) is een slagader in of naar het been vernauwd of helemaal afgesloten. Dit komt door slagaderverkalking. Hierdoor kan er geen of te weinig bloed naar het been worden vervoerd. Zo ontstaat er zuurstofgebrek in de benen of voeten. Er bestaan twee soorten PAV. Bij claudicatio intermittens hebben mensen pijn of kramp in hun been tijdens het lopen. Dit heet ook wel etalagebenen. Bij kritieke ischemie hebben mensen rustpijn in de voet en/of niet-genezende wonden of gangreen van het been of de voet. . Soms gebruiken mensen meerdere soorten bloedplaatjesremmers tegelijk.
Veelgebruikte bloedplaatjesremmers zijn acetylsalicylzuur (Aspirine, Duoplavin, Aspro), carbasalaatcalcium (Ascal) en clopidogrel (Grepid, Iscover, Plavix).
DOAC’s
Directe Orale Anticoagulantia (DOAC) behoren tot de nieuwe generatie antistollingsmiddelen. Sinds 2016 zijn de DOAC’s de eerste keus bij de meeste indicaties voor antistollingsmedicatie. Elke dag slikt u dezelfde hoeveelheid tabletten. U hoeft niet naar de trombosedienst voor regelmatige INR-metingen en bloedcontroles. DOAC’s werken snel en voeding verstoort hun werking niet. DOAC’s werken kortdurend en zijn dus weer snel uit uw lichaam verdwenen. Als u de tabletten vergeet in te nemen, neemt daardoor uw risico op trombose snel toe.
Niet iedereen mag een DOAC gebruiken. Zo mogen mensen met een kunsthartklep, het antifosfolipidensyndroom, kwetsbare ouderen en zwangere vrouwen geen DOAC gebruiken. DOAC’s zijn voor deze mensen niet veilig. Zij krijgen een vitamine K-remmer of een LMWH.
U kunt een DOAC krijgen om een trombosebeen en longembolie te behandelen of te voorkomen, trombose te voorkomen bij een operatie of om een beroerte te voorkomen bij boezemfibrilleren.
In Nederland zijn er vier DOAC’s: dabigatran (Pradaxa), apixaban (Eliquis), edoxaban (Lixiana) en rivaroxaban (Xarelto).
Vitamine K-remmers
Vitamine K-remmers (ook wel cumarines of vitamine K-antagonisten genoemd) remmen de werking van vitamine K in uw lichaam. U heeft vitamine K nodig voor het aanmaken van een aantal stollingsfactoren. Deze factoren zorgen ervoor dat bloed kan stollen. Vitamine K-remmers zorgen er dus voor dat uw lichaam minder stollingsfactoren kan aanmaken en uw bloed minder kans krijgt om te stollen, waardoor de kans op een trombose kleiner wordt. Vitamine K wordt in het lichaam in de darmen gemaakt. Daarnaast komt het voor in ons voedsel, met name in groene groentes, zoals boerenkool, avocado en spinazie.
In Nederland zijn er twee vitamine K-remmers: acenocoumarol (Sintrom) en fenprocoumon (Marcoumar).
Als u vitamine K-remmers slikt, moet uw INR-waarde worden gemeten. De INR-waarde geeft aan hoe snel uw bloed stolt:
Normaal gesproken is de INR-waarde 1. Afhankelijk van het soort aandoening waarvoor u antistollingsmiddelen krijgt liggen de streefwaarden in Nederland tussen de 2.0 en de 3.5. De trombosedienst bepaalt uw INR-waarde. Er zijn veel factoren die invloed hebben op uw vitamine K-remmer, zoals bijvoorbeeld voeding, alcohol en ziekte. Daarom is het belangrijk om de INR-waarde te meten. Zo controleert de trombosedienst of uw vitamine K-remmer u voldoende beschermt tegen trombose. En of u misschien meer of minder tabletten moet slikken. Zolang u vitamine K-remmers slikt zult u onder controle blijven van de trombosedienst. Er zijn ook patiënten die hun INR-waarde zelf meten met een zelfmeetapparaat. Op de site van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten kunt u de trombosedienst bij u in de buurt vinden. Daarnaast is er ook een aanbieder geheel gericht op online trombose zelfmanagement; een alternatief voor de lokale trombosedienst – ook bij verblijf in het buitenland. Op de website van de Nationale Trombose Dienst treft u alle informatie.
Het is belangrijk dat uw INR-waarde stabiel blijft. Zo bent u goed beschermd tegen trombose en tegen bloedingen. Bekende factoren die invloed hebben op uw INR-waarde:
Mocht er sprake zijn van één of meer van deze factoren, neem dan altijd contact op met uw trombosedienst. De trombosedienst kan uw dosering dan aanpassen. Mocht uw INR-waarde een tijd lang minder stabiel zijn, dan zal de trombosedienst u regelmatiger controleren.
Hoe lang u antistollingsmiddelen moet gebruiken hangt af van de aard van uw aandoening. In alle gevallen bepaalt de arts die het antistollingsmiddel heeft voorgeschreven, in overleg met u, hoe lang u dit middel moet slikken. Stop nooit zelf, zonder overleg met uw arts, met uw antistollingsmiddelen.
Na een operatie kunt u enkele weken antistollingsmiddelen krijgen om trombose te voorkomen. Bij een trombosebeen of een longembolie krijgt u in het algemeen 3 tot 6 maanden antistollingsmiddelen. Samen met uw arts bespreekt u of u hierna doorgaat met de medicatie of stopt. Heeft u een kunststofhartklep? Dan zult u levenslang antistollingsmiddelen moeten gebruiken.
Antistollingsmiddelen remmen de stolling en voorkomen trombose. Een nadeel is dat antistollingsmiddelen bloedingen kunnen veroorzaken. Bijvoorbeeld een blauwe plek of een wondje dat maar blijft bloeden. Maar er kan ook een maag- of hersenbloeding ontstaan. Uw arts maakt daarom altijd een goede afweging tussen uw tromboserisico en uw bloedingsrisico bij het voorschrijven van antistollingsmiddelen. Ook is het belangrijk om uw antistollingsmiddelen volgens voorschrift te nemen.
Gebruik geen pijnstillers zoals ibuprofen of diclofenac (NSAID’s; Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs) als u antistollingsmiddelen gebruikt. Deze pijnstillers geven namelijk een hoger bloedingsrisico. Wilt u pijnstillers en ontstekingsremmers zoals aspirine, diclofenac, ibuprofen of voltaren gebruiken? Overleg dan altijd eerst met uw arts.
Kijk voor meer informatie en veelgestelde vragen over antistollingsmiddelen op onze website Alles over Antistolling.
Steunkousen zijn therapeutische, elastische compressiekousen. Deze kousen zorgen ervoor dat het opgehoopte vocht in uw arm of been (oedeem) wordt afgevoerd. Na een ernstige trombosebeen of trombosearm zijn uw bloedvaten aangetast en is uw lichaam daar zelf niet meer toe in staat.
Meestal schrijft uw arts de steunkous voor. Uw arts geeft aan voor welke periode u de kous moet dragen, wat de lengte van de kous moet zijn en welke drukklasse de kous moet hebben. De drukklasse geeft aan hoeveel druk er op het lichaamsdeel moet komen te staan om overtollig vocht te kunnen afvoeren. Uw arts stuurt u door naar een gespecialiseerd bandagist of huidtherapeut. Deze zal de kous bij u aanmeten.
Het is belangrijk de kous goed te onderhouden. Bespreek met uw bandagist of huidtherapeut hoe u uw kous het beste kunt onderhouden en wanneer deze aan vervanging toe is.
Als u een hartinfarct of herseninfarct hebt gehad, dan zult u naast antistollingsmiddelen ook een revalidatietraject aangeboden krijgen. Voor een trombosebeen of longembolie bestaat zo’n revalidatietraject (nog) niet. Na een trombosebeen of longembolie zult u zelf moeten werken aan uw herstel. U kunt daarbij hulp vragen van een fysiotherapeut.
[LINK naar project Erik]
Eerder organiseerden wij twee webinars over herstel en revalidatie na een trombosebeen of longembolie. U kunt de webinars op de website van de Trombose Community terugkijken.